Het lichaam houdt het goed verborgen, het feit dat het ermee ophoudt. Alles lijkt van buiten nog hetzelfde te werken en alles is intact. De huid en de ogen verraden niks en het gevoel voor humor is scherper dan ooit terwijl het lichaam stiekem probeert op te geven. Misschien helpt het om hem aan te raken. Net als vroeger: alles wat je verzon kon je niet zien, maar zat in je hoofd en bestond alleen daar. Al het echte bevond zich daarbuiten en daar was je allemaal zeker van omdat je het kon aanraken, voelen, ruiken, horen. Ik kan het niet laten hem aan te raken. Om zijn handen in de mijne te nemen en de breekbare vingers langzaam te buigen en te strekken. Ik beweeg met mijn vingers over zijn nagels en merk hoe ze voelen als die van overgrootmoeder toen ze nog vol leven zat, maar zich er nog maar weinig van kon herinneren. Ik wil telkens over de kale plekjes op zijn hoofd aaien en de krullen in zijn peper en zout baard zachtjes rechttrekken om te zien hoe ze vanzelf weer terug krullen zodra ik ze loslaat. Ik wil met m’n been tegen het zijne aan zitten en mijn hoofd op zijn schouders rusten zodat ik stiekem kan kijken naar de huid in zijn nek, naar hoe die klopt en zo strak lijkt te staan dat die elk moment kan knappen.

Misschien, als ik dicht genoeg tegen hem aan kruip, kan ik hem een schokje geven, kan ik met de warmte van mijn lichaam zijn hart wakker schudden. Het zal even pijn doen, maar wellicht de tijd wat rekken. Als het helemaal goed gaat krijg ik misschien zelfs een schokje terug en loop ik ook met wat meer vering in mijn zware schoenen weer terug naar huis.