Het mannetje op de maan

Het mannetje op de maan - Korte verhalen - EdivaniaLopes.nl

Er zit een mannetje op de maan. Eerlijk waar. En als hij denkt dat niemand het ziet, komt hij naar buiten. Hij poetst dan de vlekken van het gekraterde oppervlak totdat de maan weer helder licht geeft. Zou hij ooit het poetsen laten voor wat het is, dan zouden de nachten ondergedompeld zijn in een pikzwart dat enkel door zwak schijnende sterren gekenmerkt wordt.

En het dromen zou ophouden. Zonder een licht op het pad, leidend naar ieders droomwereld, zouden we hopeloos verdwaald raken en elke ochtend badend in het zweet wakker worden, hoogstens opgelucht dat we die duistere wereld verlaten hadden.

Maar dat mannetje, hè, die op de maan. Die heeft er niet zo een zin meer in. Telkens weer dat gepoets – dag in dag uit – en werkelijk niemand die het waardeert. Kinderen worden ingefluisterd dat hij niet bestaat en dat hij maar een fabeltje is. Volwassenen fluisteren het elkaar in, gewoon omdat dat het leven wat makkelijker maakt – één ding minder om je over te hoeven bekommeren.

Vandaag is het echter genoeg geweest. Vandaag vertikt hij het.

Aanvankelijk is er weinig aan de hand; ondanks het gat in de ozonlaag wordt er namelijk niet extreem veel mensenrotzooi naar boven geslingerd. Na een weekje beginnen de mensen het echter toch wel te merken daar beneden. De straatlantaarns gaan iedere dag iets eerder aan en kinderen keren maar half uitgeput en vervuild terug naar huis.

Ondertussen zit het mannetje met een zaklantaarn op de maan, bij hem is het nu immers ook altijd donker. Het gewenste effect blijft bovendien uit. Niemand richt zich tot de hemel, tot hem, om hem te smeken de aarde bij nacht weer te verlichten. In plaats daarvan wordt elektriciteit ingezet om het schaarste aan licht op te kunnen vangen. En in plaats daarvan kruipen kinderen massaal met nachtlampjes en knuffels bij hun ouders in bed, die op hun beurt stiekem wel blij zijn met het extra gezelschap. Ze blijven echter allemaal volhouden dat de kroost hier veel te groot voor is en dat grote kinderen niet bang horen te zijn in het donker.

Over monsters wordt geen woord gerept. Iedereen weet natuurlijk al lang al dat die niet onder het bed of in de kast leven. Maar zo, zo zonder extra nachtlampje, beginnen zelfs de volwassenen te twijfelen. De pikzwarte nacht slokt ieder geluid en lichtpuntje op tot de zon de aarde uit haar lijden komt verlossen en de dageraad aanbreekt. En zij wachten tot de zon hen weer uit hun schuilplaatsen tevoorschijn roept.

Het heeft niet lang geduurd, een maand wellicht – maar af en toe is een maand lang genoeg. Het mannetje op de maan realiseerde zich namelijk (toevallig toen hij door alle batterijen heen was en zijn zaklantaarn alleen nog als wapen diende), dat hij helemaal niets te doen had. Overdag interesseerde zich toch niemand voor hem en zijn thuis en ’s nachts kropen ze massaal en geluidloos bij elkaar, vluchtend van de duisternis. Het ergste was nog wel dat de volwassenen gestopt waren met het vertellen van verhalen. Als het kraken van de vloer al voor nachtmerries zorgde, zouden sprookjes immers ook niet veel goeds brengen.

Om al die sprookjes bekommerde het mannetje op de maan zich echter ook niet. Wat hem wel wat deed was het feit dat ook zijn verhaal, het verhaal van het mannetje in de maan, in vergetelheid was geraakt. Het was alsof het verdwijnen van de maan ook elke herinnering aan hem gewist had. Dus zat hij daar, moederziel alleen – als altijd – maar nu ook nog eens vergeten.

De mensen op aarde konden hem gestolen worden maar de herinnering aan hemzelf…!

Enfin. Het mannetje was vergeten. Daar had hij een nog grotere hekel aan dan ondergewaardeerd worden. Eerst praatten ze in ieder geval nog over hem, ook al “geloofden” ze niet dat hij bestond. Beteuterd, verbitterd en intens chagrijnig om de schoonmaakklus die hem te wachten stond, tastte het mannetje de maan af tot hij zijn poetsdoekje gevonden had. En toen begon hij.

Veel werd er in het begin niet van gemerkt; een zwarte hemel die antraciet kleurt valt niet gelijk méér op, maar na een aantal dagen poetsen was de klus geklaard. Alle volwassenen ontkenden dapper ooit bang te zijn geweest en kinderen sliepen weer in de eigen dekenforten met hun papieren hoedjes op en hun houten zwaarden en toverstaffen in de aanslag.

En het mannetje op de maan? Die ging verder zoals hij dat altijd al gedaan had; werkend van maandag tot maandag, moederziel alleen en tot op het bot verbitterd.
En eigenlijk kan het niemand iets schelen.

Geef een reactie