Wiegenlied

In je eentje in de metro zitten als het al helemaal donker is. Soms word ik er bang van, maar het is juist die spanning die ervoor zorgt dat ik het zo fijn vind. Als het overal rustig is, je zachtjes heen en weer gewiegd wordt en de stad probeert te reconstrueren aan de hand van de oranje gloed die van de straatlantaarns uitgaat, dan kom je tot rust. En ik zit daar met mijn koptelefoon op, strak voor me uit kijkend omdat er zojuist vijf — zeer luidruchtige — kasten van kerels binnen zijn komen lopen en ik een gesprek zo goed mogelijk probeer te vermijden.

Dan komt er opeens een jongen binnen, doet zijn jas uit, spreidt die uit over de twee stoelen aan de andere kant van het gangpad en maakt het zich gemakkelijk. Ik kon het niet weerstaan via het raam van de metro naar zijn weerspiegeling te staren. Hij keek verslagen. Hij lag daar ineengedoken en met gesloten ogen, misschien hopend dat de metro hem in slaap zou wiegen. Eventjes had ik de neiging erbij te gaan liggen. Gewoon van mijn stoel op te staan, naar hem toe te lopen en het overgebleven stukje bank in te nemen zodat hij in ieder geval een schouder had om z’n hoofd op te rusten terwijl hij wachtte op de slaap die maar niet wou komen. Hij leek zo verloren, als een klein kind dat urenlang tevergeefs naar z’n ouders gezocht heeft. Het enige dat er dan nog op zit is blijven staan waar je bent en wachten tot iemand jou vindt.
Ik had hem zo graag willen vinden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.