Het fort

Wat zou hij gedacht hebben toen hij haar voor het eerst vasthield? Maakte hij haar allemaal loze beloftes, zocht hij in haar gezicht het zijne terug of was er alleen maar leegte? Terwijl hij daar stond met zijn eerste dochter in zijn armen, heeft hij vast ook aan haar moeder gedacht — al was het maar voor even. Die levendige vrouw, nu uitgeput, bang, verwachtingsvol en wachtend op hem. Die vrouw die ondanks alles het hoofd hoog zou houden en haar lieve kleine meisje alle middelen zou geven om haar wereld zo goed en zo mooi mogelijk mee in te kleuren. Haar glimlach zou met de jaren vervagen en langzaam zou haar eigen wereld steeds grauwer worden, maar dat zou haar allemaal niks uitmaken zolang dat kleine stuiterballetje er maar was, dat hummeltje dat haar kleurtjes zo goed mogelijk met haar moeder zou proberen te delen. Er nooit bij stilstaand waarom het licht in dat gezicht dat haar zoveel warmte en liefde gaf leek te doven tot er alleen nog maar een waakvlammetje over was, voor haar alleen.

Misschien voorzag hij dit alles wel terwijl hij daar stond. Misschien besloot hij dat hij niet het beste voor haar was, voor zijn kleine meid. Misschien wou hij wel niks van dit alles. Geen paar ogen dat hem altijd hoopvol aan zou kijken, wachtend op die goedkeurende glimlach die haar ervan zou verzekeren dat haar avonturen geen kwaad konden. Twee ogen die hem altijd hetzelfde aan zouden kijken, leunend op hem, haar superman. Wat het ook was, hij legde het kleine meisje neer, niet langer van hem, en liep door de grote glazen schuifdeuren het ziekenhuis uit.
Vanaf dat moment zou hij alles missen — of er gewoon niet bij zijn terwijl het gebeurde. Ze begon te staan, lopen, rennen, vliegen. Kreeg ideeën over de wereld om haar heen en bedacht allemaal redenen het te vrezen. Ze besloot echter ook dat ze iets op moest bouwen en bij het opbouwen van dingen zoek je altijd mensen die bereid zijn je te helpen met sjouwen, metselen en de hoogte in gaan. Maar dit was anders. Dit was een menselijk instinct dat vanaf dag één afgebroken moet worden, want die kleine bouwertjes zijn ijverig. Dus begint ze met een laag muurtje en eindigt met een fort. En het is pas als die hele constructie af is en ze tevreden met haar handen door de wolken slaat, dat ze zich realiseert dat ze alleen is. Ze heeft niks opgebouwd, ze heeft niet gebouwd om het goede binnen te laten en zo goed mogelijk te beschermen. Ze heeft gebouwd om bezig te blijven, niet om te hoeven kijken, om zich langzaamaan af te sluiten van alles wat daar buiten ligt — zich niet op tijd realiserend dat het binnen die hoge muren leeg bleef.
Verslagen gaat ze zitten, haar gereedschap van zich af schuivend. Dan ziet ze helemaal beneden een stipje, een figuur die van binnen het fort naar buiten loopt zonder om te kijken. Ze roept naar hem, schreeuwt, krijst, hopend dat hij terugkeert, verrast dat er ergens in die leegte toch iemand zat. Maar hij draait zich niet om. Hij loopt door en ze blijft hem nakijken totdat hij in de verte verdwenen is. Dan gaat ze weer zitten, wachtend tot er iemand voorbij komt die kan helpen die hele constructie af te breken. Iemand die omhoog kijkt en besluit haar van dichtbij te willen zien. Tot die tijd zit ze daar, maar dat realiseert hij zich  niet als hij door die schuifdeuren naar buiten loopt. Misschien ook wel — wie weet?

Het enige dat nu zeker is is dat hij weg is en dat er iemand anders langs is gekomen. De tijd dringt, het fort moet nu echt afgebroken worden. En nog steeds is hij weg.

Geef een reactie