Kiem: Hoofdstuk 1

Kiem: Hoofdstuk 1 - Korte verhalen - Het blije blaadje - EdivaniaLopes.nl

Hij voelde zich een beetje alsof hij gedronken had en zojuist nog met alcohol in zijn bloed wakker was geworden. Terwijl hij de slaap uit zijn ogen wreef bleef hij een paar minuten op de rand van het bed zitten om zichzelf de tijd te geven om bij kennis te komen en om zijn lichaam weer te laten wennen aan wat beweging. Zoals elke ochtend, kwam langzaam dat nare gevoel weer naar boven. Hij trok zijn schouders op en schudde zijn hoofd zodat hij zich even kon concentreren op het gevoel van zijn haren tegen zijn gezicht en de dag zo nog heel even kon uitstellen. Na een paar seconden forceerde hij er een zuur glimlachje uit.

“Goedemorgen”.

Hij had altijd al het gevoel gehad er niet bij te horen. En dan niet op een manier die hem vertelde dat hij gewoonweg niet op zijn plaats was, maar op een manier die het deed lijken alsof de rest allemaal precies doorhad hoe je mens moest zijn en hem expres het geheim ervan niet wilde vertellen. Hoe ouder hij werd, hoe dieper dit gevoel ging zitten. Hij groeide steeds meer in zijn eigen persoon en zijn “vreemddoenerij” kon hij nog maar lastig verborgen houden. Dus brengt hij tegenwoordig al zijn tijd maar alleen door.

Het is niet dat hij niet geprobeerd heeft een band met mensen op te bouwen – om een sociaal mens te zijn – maar hij moest ze telkens uitleggen waarom hij nooit plots aan wilde schuiven en waarom hij ze pas na precies zes maanden wilde omarmen – niet eerder! – en soms helemaal niet. En hoewel het makkelijker is om jezelf iedere ochtend goedemorgen te wensen in de spiegel, merkte hij op een gegeven moment dat hij ernaar verlangde eens iets anders naar hem terug te zien kijken dan een rij kaarsrechte, licht vergeelde tanden en een zielig hoopje donkerbruin spriethaar.

Dat is waarom hij ermee begonnen is. Met het kijken. Hij begon eerst rustig, ietwat bescheiden. Zo zat hij urenlang met een pot thee voor het raam te kijken naar voorbijgangers; bij iedereen hopend dat ze even naar boven zouden kijken en hem zouden opmerken. Hij zou dan terug zwaaien en zij zouden hetzelfde doen. Hij heeft wel eens gezwaaid, maar waarschijnlijk konden ze hem op acht hoog niet zo goed zien zitten dus zwaaiden ze niet terug. Of ze dachten dat hij naar een ander zwaaide. Of ze wilden simpelweg de moeite niet nemen hem een vriendelijke hand toe te wapperen. Wat het ook was, zittend op zijn vensterbank bleek hij niet dicht genoeg bij het leven te kunnen komen om eraan deel te nemen.

Hij ging dus de straten op. Eerst bleef hij alleen in zijn eigen wijk, maar toen hij merkte dat de buren zich er ongemakkelijk bij gingen voelen dat er telkens een jongeman met een waterig glimlachje hoopvol naar ze stond te staren, besloot hij zijn horizon verder te verbreden en zo ver te lopen als zijn voeten hem dragen wilden. Dit bleek nog best een aantal kilometers te zijn en al gauw bracht hij elke dag door met het doorlopen van de hele stad. Hij bekeek ieder gezicht aandachtig en probeerde er altijd aan te denken er zo vriendelijk mogelijk uit te zien mochten ze zijn blik niet vermijden. Het gekke was dat ze hem niet eens vermeden omdat ze hem al zo vaak gezien hadden dat ze geen zin meer hadden dag in dag uit met hem geconfronteerd te worden. Bijna iedereen weigerde hem vanaf de eerste keer een blik waardig te keurig. Het was alsof de mens collectief besloten had een eenzaam dier te zijn en zich sindsdien afsloot van de wereld, tenzij ze op gezette tijden geacht werden de ander – een ander – te erkennen.

Maar goed, zo brengt hij dus zijn dagen door. Hij zoekt contact en probeert zo lang mogelijk (h)erkend te worden in iedere menigte waarin hij zich stort – allemaal in de hoop iets teweeg te brengen dat ervoor zorgt dat we naar elkaar hunkeren zoals we al tijden niet meer gedaan hebben. Dat we in elkaars voetsporen willen treden om de warmte te voelen die de voeten van een ander voor ons achterlaten als we besluiten hetzelfde pad te volgen. Hij zoekt naar blikken, houdt ze vast en beweegt zich met ze mee om zo lang mogelijk gezien te worden en zijn dagen door te brengen met meer doen dan gewoon maar te bestaan.

En toen stond ze daar opeens. Uit het niets. Alsof ze op dat moment het bestaan in geslingerd was om de lege ruimte naast hem te vullen. Stilzwijgend stond ze daar met haar afgetrapte schoenen en onopzettelijk warrige haar – stiekem een beetje charmant in haar kalme onbeholpenheid. Na een tijdje ging ze op haar tenen staan, rekte haar nek zo ver mogelijk uit en tuurde met tot spleetjes geknepen ogen de menigte in. Hij bleef ongegeneerd naar haar staren terwijl hij zich afvroeg waar ze in hemelsnaam naar keek. En waarom ze dat per se naast hem had moeten komen doen. Op een gegeven moment zakte ze terug op haar voeten en keek ze eindelijk naar hem op.

“Waar kijk je toch naar?

Geef een reactie